Anno Houwing

Understeand artikel is skreaun troch Jack de Vries en is opnommen yn de novimberedysje fan it tydskrift Leovardia.

Anno Houwing, een politieman in hart en nieren

'Als ik mijn leven zou overdoen, zou ik opnieuw bij de politie willen, tenzij ik afgetest zou worden'. Deze woorden sprak de oud-verzetsman Anno Houwing tijdens zijn afscheidstoespraak als Leeuwarder politiecommissaris op 28 juni 1968. Op die dag kwam een einde aan een politieloopbaan van veertig jaar, die alleen in de Tweede Wereldoorlog enkele jaren onderbroken werd. In die periode wijdde Houwing zich geheel aan zijn verzetswerkzaamheden tegen de Duitse bezetter.

De zwijgzame en voorzichtige Houwing was een markant persoon. Deze karaktereigenschappen maakten hem bij uitstek geschikt voor het beroep van politieman. Niets ontging hem, maar zoals een politieman betaamt, zweeg hij als het graf. De Leeuwarder burgemeester mr. A.A.M. van der Meulen, met wie Houwing vele jaren nauw had samengewerkt, zei het tijdens Houwings afscheid zo: 'U hebt zich wel eens de meeste gehate man van Leeuwarden genoemd. U wist van vele burgers veel af, maar gevestigde reputaties wisten dat die gevaarlijke kennis hun geen schade zouden doen'. Ondanks dat Houwing bij velen stug en gesloten overkwam, ontbrak hem niet aan humor. Toen hij op een dag op de gang van het Leeuwarder politiebureau door iemand werd aangesproken die de commissaris wilde spreken, wees Houwing naar de voormalige hoofdagent Groeneveld, die na zijn pensionering de functie van portier vervulde en door zijn collega's ook wel de ondercommissaris werd genoemd. Houwing zei tegen de man: 'Daar zit hij' en wandelde vervolgens weg.

Ook na zijn pensionering kwam Houwing nog regelmatig in het nieuws. Bij voorbeeld in 1982 toen zich tijdens een voetbalwedstrijd tussen SC Cambuur en FC Den Haag ernstige supportersrellen hadden voorgedaan. Naar aanleiding van het politieoptreden verscheen het volgende ingezonden stuk in de Leeuwarder Courant onder de kop 'Haal Houwing in huis': ' Het is nou wel makkelijk om 'de politie' de schuld te geven van al die ellende op en om Cambuur en in Grouw, maar 'de politie' moet toch vertaald worden met 'politieleiding'. Ik herinner me nog heel goed de flowerpoweracties in de jaren zestig en - nog verder terug- de rock and roll-rel in de jaren vijftig op de Wirdumerdijk. Toen stond 'de politie' onder leiding van commissaris Houwing en burgemeester Van der Meulen. De eerste nam daadwerkelijk deel aan de acties en meed daarbij de gummistok niet'.

Een ongelukkige jeugd (1905-1925)

Anno Houwing is geboren op 9 oktober 1905 in Blijham, als tweede zoon van de plaatselijke postbode Roelf Houwing en zijn vrouw Foktje Zwager. Zij overleed toen Anno twee jaar oud was. Zijn vader hertrouwde in 1910 met Jurrina Everdina Winterboer, met wie Anno het slecht kon vinden. In 1911 sloeg het noodlot opnieuw toe, toen Anno's oudste broer Aldert Willem onder een wagen kwam en verongelukte. Jaren later, in 1925, overleed een halfbroer die ook Aldert Willem heette, aan de gevolgen van hersenvliesontsteking. Door al deze tragische gebeurtenissen kreeg Houwing een groot verantwoordelijkheidsgevoel, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn tweelingzuster en halfbroers. Wellicht is dit één van de redenen geweest dat hij politieman is geworden. Maar het is niet ondenkbaar dat de aanwezigheid van een kazerne van de Koninklijke Marechaussee in de buurt ook een rol heeft gespeeld in zijn keuze.

Van agent tot hoofdrechercheur (1925-1940)

Nadat Houwing zijn militaire dienstplicht had vervuld, meldde hij zich als vrijwilliger aan bij de gemeentepolitie in Groningen. Daar leerde hij de eerste beginselen van het politievak van enkele ervaren politieagenten. In 1926 gaf hij zich op als kandidaat voor de politieopleiding, die in Hilversum was gevestigd. Om toegelaten te worden moest hij aan een aantal 'strenge' eisen voldoen (minimaal 20 jaar en langer dan 1.75 m en het aantoonbaar beschikken over een 'gezond verstand en een oprecht karakter'). Na zijn opleiding met succes te hebben afgerond kreeg hij een vaste betrekking bij de gemeentepolitie in Groningen. Daar werd hij belast met straatdiensten. Op zekere dag merkte hij dat hij werd gevolgd. Onopvallend liep hij een plantsoen in en zag dat zijn achtervolger hetzelfde deed. Deze verstopte zich achter een struik en toen Houwing dit ontdekt had, stormde hij er met getrokken sabel op af en begon in het struikgewas te slaan. Schreeuwend kwam zijn belager tevoorschijn. Het was een meerdere die controleerde of Houwing zijn plicht als politieman niet verzuimde. Quasi verontschuldigend zei Houwing:' Ik wist niet dat u het was'. Toen al was hij voor niemand bang en toonde hij weinig ontzag voor zijn meerderen.

In 1930 werd hij, eerst tot agent van politie, maar al snel tot agentrechercheur, benoemd bij de gemeentepolitie in Hilversum. De Groninger korpschef J.J. Tonckens nam het Houwing hoogst kwalijk dat hij was vertrokken, omdat de ware reden van zijn vertrek volgens hem een 'vrouwenkwestie' was. De vrouw om wie het ging van Grietje Bijlsma, met wie hij in 1931 trouwde. Het Hilversumse politiekorps was zeer vooruitstrevend, maar desondanks voldeed het na acht jaar niet meer aan Houwings ambities. In 1938 las hij in het Algemeen Politieblad dat de gemeentepolitie Assen een hoofdrechercheur zocht. In zijn sollicitatiebrief aan de burgemeester van die plaats verzocht Houwing 'voor de vervulling dier betrekking in aanmerking te komen'. Met ingang van 1 juli werd hij benoemd, waarbij het feit dat zijn oud-collega A.H. Huyskens sinds enkele maanden de scepter over het Asser politiekorps voerde, ongetwijfeld een voordeel is geweest. Zijn werkzaamheden daar zullen niet veel hebben verschild met die in Hilversum. Veel door hem opgemaakte processen-verbaal gaan over verkeersongelukken en -overtredingen. Verkeersongelukken gingen Houwing niet in de koude kleren zitten. 'Je moet natuurlijk nooit met het leed van ouders, die een kind door een verkeersongeluk hebben verloren, naar bed gaan, maar toch doet het me meer zeer dan misschien wel goed is', zei hij eens. Ook werd Houwing soms geconfronteerd met, zoals hij het in een proces-verbaal omschreef, 'een vermoedelijke schennis der eerzaamheid' en met het ophelderen van diefstallen.

In deze periode werd Houwing zich steeds meer bewust van de dreiging die van Hitler-Duitsland uitging. In familiekring waarschuwde hij meermalen dat het niet goed zou komen met 'die Hitler'. Volgens Houwing was het onvermijdelijk dat Hitler ook Nederland zou binnenvallen. Hij kreeg gelijk.

In het verzet (1940-1945)

Een maand voor de Duitse inval werd Houwing benoemd tot rijksrechercheur bij het parket van de procureur-generaal, fungerend directeur van politie bij het Gerechtshof in Leeuwarden, dat Drenthe, Groningen en Friesland omvatte. De procureur-generaal was mr. dr. D. Reilingh, die Houwing al kende toen deze nog in Assen werkte. Houwing kreeg als belangrijkste taak het verzamelen van namen en gegevens over extremistische partijen, zoals de NSB. Door de Duitse inval veranderden zijn werkzaamheden feitelijk niet. Plichtsgetrouw, maar door de oorlogsomstandigheden met tegenzin, voerde hij zijn werkzaamheden uit. Houwing doorzag echter de plannen van de bezetter en hij trof zijn maatregelen. Weliswaar bleef hij in functie, maar juist met de bedoeling om de bezetter waar mogelijk tegen te werken. Reilingh steunde hem hierin. Door zijn functie was Houwing in staat om onder zijn schuilnaam Van Delden ongemerkt verzetswerkzaamheden te verrichten. Vooral in Drenthe was hij actief bij het helpen ontsnappen van neergeschoten piloten. Zijn contactpersonen waren J.H. Boiten uit Assen en pastoor H.B.A. Goossens uit Klazinaveen. Deze werden door verraad gearresteerd, waardoor Houwing zijn verzetsactiviteiten vanaf medio 1942 steeds meer naar Friesland verlegde. Enkele maanden daarvoor, op 5 november 1941, kreeg hij het bevel dat hij zich moest melden bij de Rijksrecherchecentrale in Den Haag. De bedoeling was Houwing direct duidelijk. De Duitsers hadden voor het bereiken van hun doelstellingen de politie en vooral de uitgelezen groep rijksrechercheurs nodig. Houwing vroeg en kreeg uiteindelijk ontslag met ingang van 1 oktober 1942. Om toch van inkomsten verzekerd te zijn kreeg hij een baan als reclasseringsambtenaar bij het Centraal Genootschap tot Zedelijke Verbetering in Avereest. Later noemde Houwing dit een 'flauwekulbaan'.

Via Eelke Ronner kwam Houwing in contact met de architect Douwe Witteveen. Die vroeg hem zitting te nemen in een nieuwe Friese verzetsorganisatie. Houwing stemde toe en werd meteen benoemd tot voorzitter. Overigens was dit voorzitterschap meer van technische aard. Verder hadden in deze 'Provinciale top' zitting Pieter Wijbenga, Krijn van den Helm, Uilke Boonstra en Sjoerd Wiersma. Hierdoor belandde Houwing dus diep in het Friese verzet.

Na enkele wilde liquidaties en pogingen daartoe van verraders door het verzet werd besloten tot oprichting van het 'veemgericht'. Vooral Houwing, die altijd gewend was geweest binnen wettelijke kaders te werken, vond dat die kaders ook in deze bijzondere omstandigheden voor misdadigers veiligheid en recht moesten garanderen. Hij stelde het veemgericht samen en fungeerde als contactpersoon tussen de illegaliteit en de juristen. Dit waren in elk geval mr. B.Ph. baron van Harinxma thoe Slooten en mr. J. Wedeven. Lange tijd werd aangenomen dat ook mr. F.F. Viehoff ' lid' was van het veemgericht, maar dit lijkt onwaarschijnlijk omdat deze ondergedoken zat in Noord-Holland. Vrijwel zeker is wel dat de Asser rechter mr. A. Maassen betrokken is geweest bij het veemgericht. Houwing maakte rapporten op over 'foute' nederlanders op basis waarvan het veemgericht het vonnis 'ja', 'nee' of 'nader onderzoek' uitspraken. Volgens Houwing zijn naar aanleiding van die rapporten, die hij tot zijn dood thuis heeft bewaard, enkele tientallen executies voltrokken. Uit naoorlogs onderzoek kan worden geconcludeerd dat in ieder geval elf doodvonnissen zijn uitgesproken. De direct betrokkenen hadden afgesproken dat er nooit meer over het veemgericht gesproken zou worden, maar het is juist Houwing die kort na de oorlog één vonnis noemde, namelijk dat tegen Esmée van Eeghen. Zij was vriendin van Krijn van den Helm, maar werd er tevens van verdacht veel contacten met Duitse legerofficieren te hebben. Houwing had Esmée in 1943 leren kennen en vond haar 'een vlotte mondaine verschijning' die hij echter niet vertrouwde.

In dezelfde periode als de 'affaire Esmée' werd Houwing gearresteerd. Op donderdagochtend 21 september 1944 drong een aantal Duitsers zijn huis binnen en namen hem mee. Toch zag hij kans om allerlei voor hem en anderen belastende papieren te verstoppen op het toilet. Omdat het hoofdkwartier van de Duitsers, het Old Burger Weeshuis aan het Zaailand, nog niet open was, werd hij naar het politiebureau gebracht. Via R. Visser, die op dat moment de wacht had, kwam Houwing in contact met Jurjen Dreeuws, die hem enkele uren na zijn arrestatie bevrijdde. Zowel Houwing en zijn gezin als Dreeuws doken onder. Dreeuws werd echter al snel gearresteerd en vreselijk gemarteld. Bij de 'Overval' op 8 december 1944 op het Huis van Bewaring werd hij met vele anderen bevrijd. Hoewel hiervoor geen directe aanwijzingen zijn, is Houwing vermoedelijk enigszins bij de voorbereidingen op deze bevrijdingsactie betrokken geweest.

Enkele maanden voor de bevrijding trof Houwing voorbereidingen voor de zuivering van de politie en het opstellen van een gedragslijn voor het arresteren van politiek gevaarlijke personen. Na de bevrijding werd onder zijn leiding de uitvoering van de politiezuivering ter hand genomen.

Commissaris van politie (1946-1968)

De zuivering van de politie was nodig, omdat het politiewezen in de Tweede Wereldoorlog ten prooi was gevallen aan een volledige ontreddering. Voor de prestigieuze functie van commissaris van politie van Leeuwarden, was behalve Houwing ook Dreeuws in de race. Beide hadden mede op grond van hun verzetswerkzaamheden recht op deze functie, maar Houwing werd met ingang van 1 maart 1946 benoemd, omdat hij volgens Commissaris van de Koningin mr. H.P. Linthorst Homan een 'iets krachtiger persoonlijkheid is, die wellicht op de lange duur ook in de hogere rangen van het politiecorps iets meer prestige zou genieten'. Houwing nam de opbouw van het Leeuwarder politiekorps krachtig ter hand en al snel was het één van de beste van Nederland. Hij leidde zijn korps met vaste hand, soms dictatoriaal. Hij stond pal achter zijn korpsleden, mits zij hun werk deden zoals hij dat wenste. Om de onderlinge verstandhouding tussen de korpsleden te verbeteren, richtte hij in 1948 de Leeuwarder Politie Muziekvereniging op.

Op 16 november 1951 moest de dichter, schrijver en journalist Fedde Schurer voor het Leeuwarder gerechtshof verschijnen, omdat hij de Heerenveense kantonrechter Wolthers 'de laatste man van de Zwarte Hoop' had genoemd. Wolthers had namelijk het gebruik van het Fries in de rechtszaal niet toegestaan. Het proces tegen Schurer trok veel belangstelling en toen de menigte buiten de rechtszaal begon met het scanderen van leuzen, was voor Houwing de maat vol. Hij gaf zijn manschappen bevel in te grijpen en de menigte uiteen te drijven. Ook de brandspuit werd hierbij ingezet. Deze dag zou de geschiedenis ingaan als 'Kneppelfreed'. Enkele weken later werd een steen door het ruit van zijn huis gegooid, met daarop een briefje met de tekst 'Kin't sa of moat de brânspuit helpe?' Omdat de pers het politieoptreden vel veroordeelde waren de verhoudingen tussen Houwing en de pers lange tijd gespannen. Ook het harde optreden tegen jeugd die in 1956 na het zien van de film 'Rock around the clock' de Wirdumerdijk op stelten zette, werd hem niet in dank afgenomen.

De laatste jaren van Houwings 'bewind' werden beïnvloed door grote maatschappelijke veranderingen. Houwing moest van al deze veranderingen niets hebben en hield vast aan zijn autoritaire wijze van leidinggeven. Na zijn pensionering heeft hij wel eens gezegd dat deze laatste jaren niet altijd de leukste zijn geweest. In 1966 zette hij zijn visie op papier over de 'problemen rondom de opgroeiende jeugd'. De kern van al die problemen lag volgens hem bij de ouders die zich niet voldoende aan de omstandigheden hadden aangepast om weer vaste greep te kunnen uitoefenen op hun kinderen. Om de ouders weer voldoende gezag te laten krijgen was volgens Houwing een belangrijke taak weggelegd voor de kerk, politieke partijen, vakbondsbestuurders, leraren en de overheid.

Officieel had Houwing in 1965 met pensioen moeten gaan. Probleem was echter dat er geen geschikte opvolger voor hem was te vinden. Daarom werd zijn ambtstermijn verlengd tot 1 november 1967. Toen echter burgemeester Harmsma plotseling kwam te overlijden, werd Houwings ambtstermijn nogmaals verlengd en wel tot 1 juli 1968. Bij zijn afscheid kende het college van B & W Houwing de erepenning van de stad toe. Enkele jaren daarvoor was hij al benoemd tot officier in de orde van Oranje-Nassau.

Houwing overleed op 29 november 1983 op 78-jarige leeftijd.

Jack de Vries

Dit artikel is een bewerking van het in 1998 door de auteur geschreven (niet gepubliceerde) boek 'Anno Houwing, een politieman in hart en nieren'.